| lyric | Met jubelklank, o Heer dar boven, Zal ik U om mijn redding loven; OMdat Ge mijn vijand niet Zich over mij verblijeden liet. Mijn klacht is tot U opgerezen; Gij, Heerk mijn God, hebt mij genezen. Van nit den diepen hellenacht Hebt Gij mijn ziel in't licht gebracht; Van uit der dooden donkerdalen Zijt Gij me komen wederhalen. Zingt, gij, zijn vromen, zingt den Heer; Geeft zijn gedachtenissen eer: Want in zijn ontferming levensdagen. Zijn gramschap loopt een enkel uur, Zijn goedheid heeft een levensduur: Des avonds treedt geschrei te voren, Des morgends klinken vreugdekoren. 'k Heb in mijn weelde 't woord gezeid: «Ik wankel niet in eeuwigheid!» Gij hebt uw aanschijn afgekeerd: Ik sloeg in wzijmeling ter eerd. Ik riep tot U in de angstenklemme: To tmijnen God hief ik mijn stemme: «Wat bate geeft mijn bloed U af, AQls ik zal liggen in het graf? Zal stof en asch uw Naam belijden, Of klinken doen uw lofgetijden?» De Heer heeft mijn gebed verhoord, Zijn trouw gedachtig en zijn woord; Hij is, in zijn bermhertigheden, Als mijn beschermer opgetreden. Gij hebt de jammerklacht van 't leed Veranderd in den jubelkreet; DEn aschzak waar 'k was in gezeten, Hebt Gij te flarden stuk gereten, Gij hebt me in 't hert de vrengd gestort En met de blijdschap mij omgord: Opdat mijn ziel in zegezangen Niet zwijge van uw wondergangen: Tot aan der eeuwigheden slot Zal ik U loven, Heer, mijn God. |